Selecteer een pagina

Dit is deel 2 over misconcepten. In deel 1 heb ik gedeeld wat een concept überhaupt is en wat er dan mis kan zijn. Of mis kan gaan eigenlijk.

Nu wil ik eens kijken hoe het zit met het herkennen van misconcepten, het recht zetten (het ‘genezen’) en het voorkomen.

Bij het voorkomen van misconcepten deel ik 3 manieren om hier bewust in de klas aan te werken.

Het herkennen van Misconcepten

Leerkrachten zijn erin getraind om fouten op te sporen. Denk maar aan al het nakijkwerk wat er elke dag weer ligt.

Nu is het ontdekken van fouten in het verhaal van misconcepten volgens mij stap één.

Maar daar mag je niet stoppen!

Ontdek je een fout, dan is het noodzaak om te onderzoeken waar die fout vandaan komt. Gaat het om een slordigheidsfout of is er meer aan de hand?

Anders gezegd: is het toeval of gaat het om een misconcept?

Soms is het genoeg om meer werk van het kind te bekijken. Zo kun je ontdekken hoe het zit, maar het zal ook vaak genoeg voorkomen dat het nodig is de gedachtegang van een leerling te horen.

Je moet achter het verhaal of het idee van een antwoord komen. Door dit te doen, ontdekt je waar de denkfout zich bevindt.

verwondering wetenschap en techniek onderwijs

Het rechtzetten van Misconcepten

Heb je een misconcept ontdekt, dan is het belangrijk om het begrip opnieuw op te bouwen.

Niet onbelangrijk hierbij is het feit dat hoe ouder we worden, hoe minder flexibel we zijn in het aanpassen van onze ideeën. Een misconcept kun je het beste zo snel mogelijk aanpakken.

(We zoeken allemaal naar bevestiging van wat we al weten, we zoeken niet naar aanknopingspunten om onze eigen ideeën en overtuigingen onderuit te halen. Daarom is twijfel zaaien best een interessante onderwijsmethode)

Daarnaast is het goed om duidelijk te maken dat misconcepten niet raar zijn. Heb het zo min mogelijk over goed en fout, maar laat kinderen zelf ontdekken wat klopt. Aan deze onderzoekende houding heb je (niet alleen later!) meer.

Stel, een leerling heeft het idee dat bruine blaadjes sneller naar beneden vallen dan groene omdat ze zwaarder zijn. (in de herfst vallen de blaadjes van de bomen en die zijn bruin).

Dan kun je ervoor kiezen te vertellen hoe het daadwerkelijk zit, maar je kunt ook met echt materiaal aan de slag.

“Oké, dus volgens jou vallen de bruine sneller omdat ze zwaarder zijn?”

“Ja”

“Interessant idee, laten we dat eens gaan testen.” (Geen goed of fout!)

Ik denk nu aan het testen van verschillende kleuren blaadjes met een stopwatch. En natuurlijk aan wegen. Of je kunt ook nog andere bruine en groene voorwerpen aanbieden. Het vallen van voorwerpen is mooi om er aan te koppelen.

We hebben het over de basis van de zwaartekracht, kinderen die deze concrete ervaringen opdoen, zullen het begrip zwaartekracht veel makkelijker daadwerkelijk begrijpen.

Kinderen leren regelmatig begrippen zonder er echt betekenis aan te kunnen geven. Definities uit je hoofd leren (en weer vergeten!)

(Wisten jullie trouwens dat bomen hun blaadjes oa verliezen om zich te ontdoen van afvalstoffen?)

Het voorkomen van Misconcepten

misconcepten wetenschap en technologie onderwijs

Onderdeel 1 – Concreet materiaal

Na het verhaal hierboven zal het je niet verbazen dat, om misconcepten te voorkomen, je beter direct met concreet materiaal aan de slag kunt gaan.

Geef kinderen de ruimte en de tijd om eigen (super waardevolle) ervaringen op te doen. Je geeft de kinderen als het ware ‘kapstokjes’ om wat ze leren aan op te hangen. Door (te veel) leerkrachtgestuurd onderwijs is het risico groter dat kinderen ‘kapstokjes’ gaan missen of zelfs verkeerde ‘kapstokjes’ gebruiken voor wat je vertelt.

Onderdeel 2 – Voer gesprekken met duidelijke taal

Naast het werken met concreet materiaal is het uitwisselen van gedachtes en ideeën erg belangrijk.

Je begeleidt als leerkracht het leerproces van de kinderen door ze vragen te stellen en gesprekjes aan te gaan. Door ervaringen bouwen ze kennis op en door dit via gesprekjes te volgen heb je snel genoeg door waar ze denkfouten (dreigen) te maken (of ze die verkeerde ‘kapstokjes’ gebruiken dus).

Daarnaast is het belangrijk om goed op het taalgebruik te letten. En dan niet alleen het taalgebruik van de kinderen. Voorkom verwarring door de juiste begrippen te hanteren.

Weet je bijvoorbeeld zelf even niet welk woord je moet gebruiken? Deel het met de kinderen en zoek het (samen) uit. Wat bijleren kan nooit kwaad!

“Ik weet even niet of het woord stroom nu wel past bij deze uitleg over elektriciteit. Want stroomt elektriciteit eigenlijk wel?”

Onderdeel 3 – Ga uit van de voorkennis

Start je een nieuw thema, start dan met ontdekken wat de kinderen al weten.

Kortom: bij welke basiskennis kun je aansluiten. Een heel thema al uitwerken voordat je dit van je klas weet, is daarom eigenlijk niet handig.

Wat jij als leerkracht voor bekende kennis aanhoudt, kan wel eens helemaal niet zo duidelijk zijn bij je leerlingen.

Mijn advies is daarom om (evt. ruim van te voren) een startgesprek te voeren of een start activiteit zodat je zelf een startpunt hebt om je onderwijs vanuit vorm te geven.

Hang die kapstokken op!

Samenvattend wil ik zeggen:

Denk na over welke concrete basiservaringen je de kinderen wilt meegeven. Praat erover in de juiste taal en sluit altijd aan bij de voorkennis.

Hang de juiste kapstokken op en hang er steeds meer aan

Lees meer:

Ja, handig!

Ontvang elke week een inspirerend lesidee in de nieuwsbrief