lesinspiratie & begeleiding voor het basisondewijs

Ken jezelf, Metacognitie19 juni 2017

metacognitie onderwijs met stijl onderzoekend leren ontwerpend leren wetenschap en technologie onderwijs

Artikel 11 uit een serie over de 11 executieve functies

Voor mij was het een hele ontdekking: dat ik andere dingen dacht dan mijn vriendinnetje. Over sommige dingen dachten we hetzelfde.
 
Bijvoorbeeld over bepaalde muziek of jongens uit de klas die stom waren. Maar zomaar mensen aanspreken vond ik lastig, zij niet. Ik werd blij van Tetris spelen, zij niet. Ik werd uiteindelijk verliefd op één van die jongens, zij (gelukkig) niet.

Maar wat denk ik eigenlijk en helpen die gedachtes mij wel?
En denken andere mensen wel echt wat ik denk dat zij denken?
Je kunt ervoor in therapie gaan!
 

Ga direct naar:

Metacognitie in het kortvoorbeeld uit de klaswat is het?6 tipsvoorbeelden goede en slechte ontwikkelingextra
 

  • Vermogen om op elk gewenst moment na te denken over je eigen gedrag en gedachten.
  • Denkfunctie
  • De ontwikkeling start tussen de voorschoolse periode en de onderbouw
  • Goede ontwikkeling: In sociale situaties goed kunnen inschatten welk effect je eigen gedrag heeft op de situatie en zo je gedrag functioneel aanpassen.
  • Slechte ontwikkeling: Regelmatig spijt hebt van je beslissingen doordat je belangrijke feiten over het hoofd zag.

 

‘juf, waarom wordt je haar eigenlijk grijs als je oud wordt?’ vraagt Jasmijn. Ze kijkt op van haar tekening als ik langsloop.
 
‘Weet je dat niet?!’ zegt Nora voordat ik ook maar iets kan zeggen.
 
‘Dat heb ik al gelezen. Kleur heet ook wel pigment en als je oud wordt weet je lijf niet meer hoe je pigment moet maken. Je gaat eigenlijk een beetje kapot,’ antwoord ze.
 
‘Ooh,’ is het enige dat Jasmijn kan uitbrengen. Ze kijkt naar mijn haar en even ben ik bang dat ze een grijze pluk heeft ontdekt waar ik niks van weet.
 
‘Weet je wat ik ook heb gelezen,’ vervolg Nora haar betoog. Ze legt haar eigen potlood neer en gaat er nog voor zitten. ‘Dat mensen die steil haar hebben toch ineens krullen kunnen krijgen en andersom.’ Nora kijkt rond om te zien hoe haar publiek reageert.
 
‘Ooh,’ zegt Jasmijn weer. Echt geïnteresseerd klinkt ze niet. Ze gaat ook weer verder met tekenen.
 
‘En weet je hoe dat heet?’ vraagt Nora een beetje hooghartig aan Jasmijn.
 
‘Nee en ik wil het ook niet weten,’ antwoord Jasmijn verrassend fel.
 
Nora krimpt in elkaar en is zichtbaar teleurgesteld. Ik vraag nog wel naar de informatie, want ik heb werkelijk geen idee.
Maar ik besef mij ook dat de betweterigheid van Nora in sociaal opzicht een probleem aan het worden is en ik hier aandacht aan moet gaan besteden.
 
Ze heeft hulp nodig om na te denken over haar eigen gedrag en het effect daarvan.

 

Metacognitie is het vermogen om jezelf waar te nemen, om je eigen gevoelens en gedachten te overdenken en gepaste handelingen te bedenken.
 
Metacognitie bestaat uit kennis en vaardigheden.
 
Kennis over jezelf, wat werkt voor jou en wat niet? Hierbij hoort ook het besef dat er verschillen zijn tussen jezelf en anderen personen. Daarnaast heeft metacogitieve kennis ook te maken met wat je weet over de opdracht die je wilt gaan uitvoeren; Hoe moet die gaan verlopen, welke stappen zijn nodig?
 
Als laatste slaat metacogitieve kennis op de strategieën die je kunt gaan toepassen om de stappen van de opdracht uit te gaan voeren. Met deze kennis kun je keuzes maken rondom je eigen plan van aanpak.
 
Zo komen we bij de metacognitieve vaardigheden. Dat zijn de vaardigheden die nodig zijn om je kennis toe te passen in de juiste situatie. Denk aan stappen als plannen, in de gaten houden en evalueren. Ook het inschatten van de opdracht hoort hierbij, hoe makkelijk of moeilijk zal hij voor jou zijn? En wat heb je nodig?

 

metacognitie onderwijs met stijl onderzoekend leren ontwerpend leren wetenschap en technologie onderwijs

Tekening uit: Het raadsel van alles wat leeft van Jan Paul Schutten

  1. Laat een leerling vertellen en beschrijven hoe een prestatie eruitziet als hij deze heeft geleverd. Hoe goed heeft hij het gedaan? Laat hem echt een cijfer noemen als het om een toets gaat. Hoe ziet zijn werkstuk eruit als het af is? Bespreek de details! Bespreek bijvoorbeeld de inhoudsopgave, de plaatjes, het lettertype, het aantal bladzijdes. Als het gaat om bijvoorbeeld de klassendienst na schooltijd, laat de leerling dan beschrijven hoe de klas eruitziet als hij klaar is. Geen zand meer op de grond, alle stoelen op tafel, de juiste datum op het planbord voor de volgende dag, enz.
  2. Geef complimenten voor belangrijke aspecten in het proces die al dan niet tot een prestatie hebben geleid. Heeft een leerling bijvoorbeeld zijn toets nog helemaal doorgenomen voordat hij hem inleverde. Geef daar dan het compliment op.
  3. Leer de leerling een aantal standaardvragen die kunnen helpen als zich problemen voor doen. Denk aan: Wat is precies het probleem? Wat heb ik nu nodig? Bij wie kan ik terecht? Maar ook vragen die gericht zijn op de eigen evaluatie: Hoe hebt ik het gedaan? Ging het zoals ik het van te voren had ingeschat (zie tip 2!)? Welke tips en tops kan ik voor mijzelf bedenken?
  4. Praat met de leerlingen over het herkennen van gezichtsuitdrukkingen en intonatie. Veel van onze communicatie gaat namelijk via deze vormen. Wat we precies zeggen is van minder belang! Via dramaspelletjes en kringgesprekken kun je hier klassikaal aandacht aan besteden. Met individuele leerlingen kun je hier nog over door praten en verder mee oefenen.
  5. Praat open met elkaar over de gevoelens die je kunt hebben bij het gedrag van anderen. We interpreteren het gedrag van anderen en roepen zo gevoelens op. Leg oorzaak-gevolg verbanden. Vertel elkaar welke gevoelens je in verschillende situaties had en bespreek de gedachtes die daarbij horen. Ontdek met elkaar de verschillen en wat je kunt doen als je je niet prettig voelt.
  6. En als laatste een tip voor jezelf: Denk niet voor de leerling, maar stel vragen!

 

  • Merkt op hoe anderen op eigen gedrag reageren, evalueert dit en past het zelf aan.
  • Kan goed voorspellen hoe goed een bepaalde prestatie zal zijn.
  • Kan meer dan één oplossing voor een probleem bedenken en een keuze maken uit de ideeën op grond van logische argumenten. Kan daarnaast ook meerdere toepassingen bedenken voor bestaande hulpmiddelen en gereedschappen.

 

Voorbeelden slecht ontwikkelde metacognitie

  • De hulpvraag wordt al gesteld voordat de leerling ook maar iets heeft gedaan om het probleem zelf op te lossen (aangeleerde hulpeloosheid).
  • Stopt met een bouwwerk of puzzel als er één keer iets misgaat. ‘Dit lukt toch niet!’
  • Legt de schuld van een ruzie volledig buiten zichzelf. Is een slachtoffer van de situatie.

 

Als het leren zo makkelijk gaat dat je niet hoeft na te denken over je strategieën en doelgerichtheid, dan ontwikkel je geen metacognitie. Leeruitdagingen zijn daarom erg belangrijk.
 
Hoogbegaafde leerlingen komen dit probleem eerder tegen en blijken dan op het middelbaar onderwijs of pas op de universiteit vast te lopen omdat ze niet het vermogen hebben om na te denken over hun eigen gedrag en gedachten.
 
Verder is het is niet helemaal duidelijk wat het verschil is tussen metacognitie en zelfsturing. Er wordt wel gezegd dat metacognitie de controlerende rol van zelfsturing is. Je check steeds of het zelfsturen wel loopt zoals je wilt en stuurt eventueel bij.
 

Dit was artikel 11 uit een reeks over de 11 executieve functies

1. Respons inhibitie
2. Werkgeheugen
3. Emotieregulatie
4. Volgehouden aandacht
5. Taakinitiatie
6. Planning
7. Organisatie
8. Timemanagement
9. Flexibiliteit
10. Doelgericht gedrag
11. Metacognitie

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Ja, handig!

Ontvang elke week een inspirerend lesidee